De klinische uitingen van een infarct zijn in wezen dezelfde als die van angina pectoris: benauwende, knellende of ‘zware’ pijn in de borstkas, die kan uitstralen naar de hals, de kaak of de armen en dan vooral de linkerarm; hij kan gepaard gaan met ademhalingsmoeilijkheden, algemene onpasselijkheid, misselijkheid, transpiratie.
Vaak hoort men zeggen dat een infarct van angina pectoris verschilt door de brutale, vaak ergere pijn die in veel gevallen gepaard gaat met een gevoel van dreigend overlijden en die niet verdwijnt met trinitrine.
Dat is misschien waar, maar in de praktijk heeft men daar niets aan.
In de eerste plaats omdat de brutale en/of ergere pijn slechts in een minderheid van de gevallen voorkomt, maar ook omdat men de hevigheid van de pijn en het effect van trinitrine alleen kan beoordelen als men reeds angina pectoris heeft gehad – en dat is absoluut niet altijd het geval. In heel wat gevallen kan een infarct de eerste en soms helaas meteen ook de laatste uiting zijn van een coronaire insufficiëntie waar men tot dan toe niets van had gemerkt.
De les daaruit is eenvoudig: bij pijn in de borstkas, vooral als hij gepaard gaat met één of meer andere tekenen, moet men altijd de 112 bellen. Elk uitstel is tijdverlies als het inderdaad om een hartinfarct gaat, elke seconde die voorbijgaat betekent weer een stukje hartspier meer dat afsterft.
Wanneer de vernietigde zone erg groot is, kan de getroffene ogenblikkelijk overlijden.
Het herhaaldelijk optreden van kleine infarcten is een belangrijke oorzaak van chronische hartinsufficiëntie.
